to leave · to abandon · to count on, rely on something (+ op (preposition))
çekim: geçmiş verlieten · şimdiki verlaat · ulaç verlatend
köken: From Middle Dutch verlâten, from Old Dutch farlātan, from Proto-West Germanic *fralātan, from Proto-Germanic *fralētaną. Equivalent to ver- + laten.
aile: toeverlaat, verlating
Hij verlaat het huis elke ochtend om naar zijn werk te gaan.
Ze verlaat het feest vroeg omdat ze zich niet goed voelt.
De eigenaar heeft de puppy verlaten en hem aan zijn lot overgelaten.
rascal, urchin (a mischievous boy) · scoundrel (a person without honour or virtue) · chicken vendor
çekim: çoğul csibészek
köken: From csibe (“baby chicken”) + -ész (noun-forming suffix denoting an occupation). Its original meaning csibeárus (“chicken vendor”) is obsolete. The modern meaning was influenced by csirkefogó (“rascal, scoundrel”, literally “chicken-catcher”).