subject past participle of atılmaq (“to be thrown”)
köken: From atıl- + -mış.
Felemenkçein de steek gelaten, verlaten /vərˈlaː.tə(n)/
to leave · to abandon · to count on, rely on something (+ op (preposition))
çekim: geçmiş verlieten · şimdiki verlaat · ulaç verlatend
köken: From Middle Dutch verlâten, from Old Dutch farlātan, from Proto-West Germanic *fralātan, from Proto-Germanic *fralētaną. Equivalent to ver- + laten.
aile: toeverlaat, verlating
Hij verlaat het huis elke ochtend om naar zijn werk te gaan.
Ze verlaat het feest vroeg omdat ze zich niet goed voelt.
De eigenaar heeft de puppy verlaten en hem aan zijn lot overgelaten.