to force, coerce (someone) · to constrain, enforce, cause inevitably · to insist forcefully
çekim: geçmiş dwongen · ortaç gedwongen · şimdiki dwingt · ulaç dwingend
köken: From Middle Dutch dwingen, from Old Dutch *thwingan, from Proto-West Germanic *þwingan, from Proto-Germanic *þwinhaną, *þwinganą.
aile: dwingend, dwingerig, ongedwongen, dwingeland, aandwingen, afdwingen, bedwingen, indwingen, omdwingen, opdwingen
De overvallers probeerden de winkelbediende te dwingen de kluis te openen.
Ik zal je niet dwingen om te komen, maar ik zou het op prijs stellen.
De wet kan bedrijven dwingen milieuvriendelijke maatregelen te nemen.