to travel
çekim: geçmiş путеше́ствовавший · ortaç путеше́ствовавший · şimdiki путеше́ствует · ulaç путеше́ствующий
eş: странствовать
köken: путь (putʹ) + -е- (-e-) + ше́ствовать (šéstvovatʹ)
aile: отпутеше́ствовать, попутеше́ствовать, пропутеше́ствовать
Я хочу путешествовать с тобой. — Seninle seyahat etmek istiyorum.
Felemenkçereizen /ˈrɛi̯.zə(n)/ to travel
çekim: geçmiş reisden · ortaç gereisd · şimdiki reist · ulaç reizend
köken: From Middle Dutch reisen, from Old Dutch *reison, from Proto-West Germanic *raisōn.
aile: aanreizen, achternareizen, afreizen, bereizen, binnenreizen, doorreizen, heenreizen, inreizen, meereizen, misreizen
Hij reist graag alleen. — Tek başına seyahat etmek istiyor.
We reizen graag naar verre landen om nieuwe culturen te ontdekken.
Tijdens de vakantie reizen we meestal naar warme bestemmingen.
Zij reizen vaak voor hun werk en hebben daardoor veel van de wereld gezien.